|

Jelte en
Martin Rep op de kansel van het kerkje van Jislum waar Tiete 's
zondags Gods woord hoorde donderen.
De
foto's op deze pagina zijn uit de video-documentaire die Jelte
en Martin maakten over het leven van Tiete.

Onder
deskundig toezicht in Delft vergelijkt Martin Rep zijn lengte
met die van Tiete.

Martin
en Jelte Rep pauzeren in België tijdens hun reconstructie
van Tietes deelname aan de Tiendaagse Veldtocht.

In
1832 krijgt Tiete Rozema een eremedaille uitgereikt voor zijn
bijdrage aan de Tiendaagse Veldtocht.

De
gevangenis van Leeuwarden, prentbriefkaart uit ca. 1930
|
Meintje's beruchte
overgrootvader:
Tiete Gerrits Rozema
(1811 - 1850)
Iedere familie heeft wel een skelet in de kast, een familielid
over wie alleen maar gefluisterd wordt. De Rozema's hebben er
meerdere. De een dronk te veel. De ander zat in de gevangenis.
En zou er zelfmoord hebben gepleegd. In ieder geval gestorven
zijn. Maar hoe zat het dan precies? Het gaat om Meintje's overgrootvader,
maar het hoe en waarom heeft ze nooit precies geweten.
Op het Wener Congres,
waar na de val van Napoleon de kaart van Europa opnieuw wordt
getekend, wordt besloten België en Nederland te verenigen
tot één koninkrijk onder koning Willem I. De Belgen
vinden dat Willem I het Noorden veel te veel begunstigt. Op 25
augustus 1830 breekt in het Zuiden een gewelddadige opstand uit,
waarbij meer dan duizend mensen om het leven komen en het Noorden
de schrik om het hart slaat. De opstand moet worden neergeslagen.
Tiete Rozema, de zoon
van Gerrit Roelofs en Froukje Lieuwes de Jong, is net twintig
jaar als hij op 18 januari 1831 wordt opgeroepen voor de loting
voor militaire dienst. Tiete is op 21 december 1811 in Akkerwoude
geboren. Het nummer van zijn lot is 20, maar veel kans om onder
militaire dienst uit te komen is er niet. Tiete wordt ingeloot
en voor een periode van vijf jaar ingedeeld als milicien bij de
18e Afdeling Infanterie.
Zijn signalement luidt:
rond aangezicht, rond voorhoofd, blauwe ogen, dikke neus, blond
haar, kleine mond, ronde kin, en zijn lengte wordt gemeten: één
el, 5 palmen, 7 duimen en één streep. Aangezien
1 el = 100 cm, 1 palm = 10 cm, 1 duim = 1 cm en 1 streep = 0,1
cm, blijkt de lengte van Tiete 157,1 cm te zijn.
Milicien Tiete Rozema
wordt infanterist en zo snel mogelijk naar het bedreigde Brabant
afgemarcheerd en gelegerd bij Willemstad, een plaatsje in het
noorden van Noord-Brabant, aan het Hollands Diep. Lollig is het
er niet. De winter van 1830-'31 is bijzonder streng. Het vriest
langdurig en er valt veel sneeuw. In de wachthuizen, waar alle
meubilair en stookgelegenheid ontbreekt, is het behoorlijk koud.
Door de vele sneeuwstormen en dooiperiodes zijn de wegen nog nauwelijks
begaanbaar. Aanvoer van voedsel verloopt mondjesmaat en de militairen
lijden veel honger. De weersomstandigheden maken militaire oefeningen
onmogelijk. De verveling en de koude doen velen naar de drankfles
grijpen.
Pas in de lente wordt
er weer gemarcheerd en geëxerceerd. De soldaten worden gehard
door lange marsen met volledige bepakking en verder zijn er uitgebreide
manoeuvres op de heide. Eind juli is de opbouw van het nieuwe
leger compleet. Het veldleger telt dan zo'n 36.000 man en bestaat
uit drie divisies, plus een reserve-divisie. Op 8 juli marcheert
Tiete met zijn afdeling infanterie de nieuwe legerplaats van Rijen
binnen, een tentenstad, 1000 meters lang en 300 meters diep, verdeeld
in twaalf wijken, elk met twee dubbele rijen van acht tenten.
Het kamp ligt op 80 meter afstand van de weg van Breda naar Tilburg
en heeft veel bezoek van nieuwsgierigen en van kooplui. In de
omgeving van de legerplaats ontstaat een hele kermis van winkeltjes
en kraampjes, waar burgers en militairen zich vermengen.
Dinsdag 2 augustus,
om 6 uur 's morgens, is het zover. Dan begint het nieuwe Nederlandse
veldleger over een breed front zijn opmars naar het Zuiden; drie
divisies, met in totaal 25.600 man. De Tweede Brigade van de Tweede
Divisie, waartoe Tiete Rozema behoort, loopt voorop in de aanval.
Het weer is heet. Het marstempo is laag. De Eerste en Derde Divisie
bereiken nog niet eens de Belgische grens. Gemiddeld leggen de
militairen slechts 15 kilometer af.
In de hitte rukt Tietes Tweede Brigade op over Alphen en Poppel
tot aan het gehucht Den Eel. Daar wordt de 18e Afdeling Infanterie,
oprukkend over een mulle zandweg door een dennenbos, met geweerkogels
ontvangen. Er volgt een vuurgevecht, waarbij twee Belgen en twee
Nederlanders sneuvelen en 12 Belgen en 25 Nederlanders gewond
raken.
De tweede dag ontwaken
de Nederlandse militairen stijf van de kou en nat van de vroege
ochtendnevel om weer vroeg op pad te gaan. Opnieuw heeft de Tweede
Divisie het het moeilijkst. Om een uur of één, als
de Tweede Brigade Turnhout nadert, fluiten de kogels Tiete om
de oren. Ditmaal geven de Belgen hun verzet snel op en omstreeks
twee uur marcheren de Nederlandse troepen, onder sporadisch geweervuur,
de stad binnen.
Het is heet en de soldaten
moeten dagelijks flinke afstanden afleggen. Op woensdag 10 augustus
gaat het op Leuven aan. Daar moet de beslissende slag worden geleverd,
die de weg naar Brussel zal vrijmaken. Haar opdracht is de IJzeren
Berg, een heuvel ten westen van de stad, te bezetten en de twee
wegen, die van Leuven naar Brussel leiden, af te snijden. Onder
dekking van artillerievuur trekken de Belgen zich in oostelijke
richting uit Leuven terug. De achtervolgende Nederlandse infanteristen
vorderen traag. Het is een loodzwaar terrein. Het golvende bouwland,
op vele plaatsen met hoog graan bedekt, is in de hete zon een
zware opgave voor de zwaar bepakte soldaten. Op 12 augustus omstreeks
12 uur 's morgens bereikt de Nederlandse Tweede Divisie de IJzeren
Berg. Vanaf de 85 meter hoge heuvel kan de hele omgeving worden
beheerst.
Juist als de definitieve slag om de stad lijkt te beginnen, komt
een gezantschap uit Leuven met een boodschap voor de Nederlandse
legerleiding. Groot-Britannië en Frankrijk blijken het einde
der vijandelijkheden te eisen en zullen, als de Nederlanders niet
stoppen, die weigering opvatten als een oorlogsverklaring aan
beide landen. Grommend geeft de Nederlandse legercommandant opdracht
de strijd te beëindigen. Er volgt een wapenstilstand. De
strijd wordt verder uitgevochten aan de onderhandelingstafel,
maar de gewone soldaat heeft daar geen weet van.
Gedesillusioneerd trekken
de Nederlandse troepen terug naar het eigen koninkrijk, waar de
militaire operatie als een schitterende overwinning wordt beschouwd.
Op 20 augustus zijn alle troepen teruggekeerd in Noord-Brabant
met vijf buitgemaakte kanonnen. Uit drie daarvan wordt voor de
deelnemers aan de Tiendaagse een ereteken, het Metalen Kruis,
geslagen. De voorzijde van de penning draagt de beeltenis van
Willem van Oranje en de tekst: ,,Willem, Prins van Oranje, Veldmaarschalk,
Opperbevelhebber.'' De keerzijde van de medaille toont een kruis
met de jaartallen 1930-1931 en de woorden: ,,Trouw aan Koning
en Vaderland'', terwijl in het rond geschreven staat: ,,Instelling
van het Metalen Kruis 12 September 1831. Veldtogt in België.''
Tiete Rozema ontvangt het eremetaal op 5 april 1832.
Het einde van de strijd
betekent nog niet het einde van de mobilisatie. Om de Nederlandse
eisen aan de onderhandelingstafel kracht bij te zetten, blijft
het leger voorlopig op oorlogssterkte. Tiete slijt zijn dagen
in Willemstad, bij de 18e Afdeling Infanterie, maar heeft geluk.
Op 16 juni 1833 krijgt hij onbepaald verlof en keert hij naar
Friesland terug.
Tiete Rozema is 37
jaar oud als hij op 21 mei 1848 in het raadhuis van Dokkum `ja'
zegt tegen een 28-jarige dienstbode, werkzaam in Dokkum: Tetje
Tunnis Postema. Tetje is een Groningse, geboren op 1 december
1820 in Pieterzijl, gemeente Grijpskerk. Haar vader was daar boerenknecht,
maar heeft zich inmiddels opgewerkt tot ,,winkelier en baardscheerder''
in het Friese Burum. Hij en zijn vrouw Antje Reinders Broekstra
hebben de dag vrij genomen voor de bruiloft. Ook aanwezig zijn
de ouders van de bruidegom, ofwel in de woorden van de precieze
ambtenaar van de burgerlijke stand: ,,Gerrit Roelofs, de familienaam
hebbende van Rozema, arbeider'' en ,,Froukje Lieuwes, de familienaam
hebbende van de Jong, ook bekend onder de voor en toenaam van
Lieuwtje Jans de Jong, echtelieden, wonende te Jislum, grieterij
(gemeente) Ferwerderadeel.''
Tiete Rozema en zijn
Tetje gaan wonen in Burum, naar ik aanneem bij haar ouders. Burum,
anno 1848, is een winderige uithoek van Friesland, weggeschoven
tegen de grens met Groningen, halverwege verlaten namen als Buitenpost
en Grijpskerk. Een stip aan de strakke horizon, die naarmate je
dichterbij komt, uiteen brokkelt in de contouren van een kerktoren
en een molen. Over het grindpad, vanaf de weg Leeuwarden-Groningen,
is het twaalf minuten lopen naar het dorp. Er is maar één
grindpad, de andere wegen zijn van klei. Er is maar één
grondsoort: klei, aangedragen door de zee, en ingedijkt door de
monniken, die indertijd bij Burum een klooster annex bierbrouwerij
hadden.
De klei is te zwaar voor landbouw, maar zeer geschikt voor veeteelt.
Rondom Burum liggen dan ook grazige weiden, vette koeien en welvarende
boerenplaatsen, 45 in getal. Het dorp zelf telt 272 huizen, twee
kerken, een paar winkels, herbergen, verscheidene kroegen en ruim
1600 inwoners; zeven inwoners per huis.
Tiete is van boerenknecht arbeider geworden, maar veel helpt het
niet: hij is en blijft zo arm als Job. Hij is niet de enige. Er
zijn zo'n tweehonderd bedeelden. Waar Tiete werkt, weten we niet.
Fabrieken zijn er niet in Burum, wel een molen. Er is één
boekweitmolenaar en verder zijn er wat smeden, wagenmakers, kuipers,
bakkers, schoenmakers, schippers, kooplieden, winkeliers en twee
doktoren: een medicinael doctor en een geneesheel- en vroedmeester.
Op zondag 18 maart 1849, 's morgens om 4 uur, brengt Tetje in
Burum een zoon ter wereld, Tunnis, vernoemd naar de vader van
Tetje.
Een halfjaar later,
in september 1849, constateert de echtgenote van Jelke Wytzes
Postma uit Burum dat haar koe, die graast op de dorpsweide, plotseling
geen melk meer geeft. Ze uit haar verwondering aan haar zoon,
de 23-jarige smidsknecht Wytse Jelkers. Ook hij gelooft niet dat
het aan de koe ligt. Op de vroege morgen van donderdag 19 september
verstopt hij zich bij het grasveld waar de koe van zijn moeder
staat, en ontdekt dan dat het Tiete Gerrits Rozema is, die eerst
zijn eigen koe melkt en daarna de koe van zijn moeder. Wytse wendt
zich tot de veldwachter en samen met hem verstopt hij zich de
volgende morgen opnieuw bij het weiland. Opnieuw verschijnt Tiete,
melkt zijn eigen koe en daarna die van vrouw Postma. Tiete wordt
op heterdaad betrapt.
Op 17 oktober komt
de zaak voor bij de arrondissementsrechtbank van Leeuwarden. Wytse
Jelkes Postma, die als getuige is opgeroepen, moet het verhaal
nog eens vertellen. Beklaagde Tiete Rozema geeft desgevraagd toe
dat hij de koe van vrouw Postma enkele malen heeft gemolken, maar
ontkent dat hij het iedere morgen heeft gedaan. De openbare aanklager
acht bewezen dat beklaagde de koe ,,arglistig heeft uitgemolken
met het doel om zich de daarvan afkomstige melk toe te eigenen''
en eist de straf, conform de artikelen 401 en 104 van het Wetboek
van Strafrecht voorschrijft: een gevangenisstraf van één
tot vijf jaar en het betalen van de proceskosten. Tiete heeft
de rechter al verteld dat hij een arme huisvader is en maakt daarom
geen gebruik van de gelegenheid om nog iets te zeggen. Nadat de
rechtbank kort achter gesloten deuren heeft beraadslaagd verklaart
de rechter ,,den persoon van Tiete Gerrits Rozema schuldig aan
het wanbedrijf van diefstal en veroordeelt hem ter zake tot een
gevangenisstraf van drie maanden en de kosten der procedure''.
Die rekening ziet er zo uit:
| Kosten der getuigen |
f 3,06 |
| exploiten enz.
der deurwaarders |
f 2,00 |
| Griffier voor
expeditie en afgegeven aan de heer Officier |
f 0,57 |
| 4 art deze staat
|
f 0,10 |
| Totaal |
f 5,73 |
| Boeten: |
geen |
| Totaal |
f 5,73 |
Burum is geen prettige
woonplaats meer voor Tetje sinds haar man in de gevangenis zit.
Zij en de kleine Tunnis trekken in bij haar schoonouders, die
in Jislum wonen. Daar krijgt Tetje in de vroege ochtend van woensdag
20 februari een rampzalige mededeling: haar man Tiete is de vorige
avond om tien uur in de gevangenis overleden. De doodsoorzaak
hebben we niet kunnen achterhalen in de archieven; nergens staat
vermeld waaraan Tiete Gerrits is gestorven. Zijn achterkleinkind
Teunis Tiede Rozema uit Heiloo heeft in familiekring vernomen
dat Tiete zich heeft verhangen, maar zeker is het niet.
In ieder geval sterft
de voormalige infanterist, die tijdens de Tiendaagse Veldtocht
zijn moed bewees, een roemloze, schandelijke dood. Tetje wordt
op 29-jarige leeftijd weduwe en Tunnis, elf maanden oud, heeft
geen vader meer. Namens de familie gaat de 54-jarige arbeider
Douwe Jans de Boer naar Leeuwarden om de formaliteiten af te handelen.
Samen met een cipier van de Strafgevangenis geeft hij het overlijden
van Tiete aan bij de burgerlijke stand. Waar Tiete is begraven,
is ons niet bekend.
Het leven gaat door
en is te kort om lang te treuren. Ruim drie jaar later staat Tetje
in het stadhuis van Echten, gemeente Lemsterland. Het is dan vrijdag
18 november 1853 en ze belooft plechtig trouw te blijven aan Jan
Jans Mast, arbeider, en hij aan haar. Twee jaar later wordt hun
eerste kind geboren, dat ze Koop noemen. In 1857 brengt Tetje
een dochter ter wereld, maar het meisje sterft al als zuigeling.
Een tweede dochter, die anderhalf jaar later geboren wordt, blijft
wel in leven. Haar naam is Trijntje. Tunnis, haar zoon uit haar
eerste huwelijk, is dan net vier jaar. Hij wordt vaak Tunnis (en
later Theunis) Mast genoemd naar de achternaam van zijn stiefvader,
bij wie hij opgroeit.
In 1968 komt het harde
leven van Tetje tot een einde. Op zaterdag 1 februari overlijdt
te Echten: Tetje Theunis Postema, oud 47 jaar, echtgenote van
Jan Jans Mast, een dappere Groningse vrouw, stammoeder van vele
Rozema's én Masten.
Uit: In
Hert fan Goud door Jelte en Martin Rep
>
Documenten
>
Volgende
<
Vorige
<
Parenteel
|